Van ondernemende Vlamingen gesproken.
Waar Vlamingen al niet thuis zijn. Luister eens naar dit verhaal. Ze heten Paul en Albertine. Hij is accountant en rookt als een ketter. Werkelijk de een na de ander, vreselijk. Zij is een goedlachse ex-lerares Frans. Ze hebben al jaren een buitenverblijf in L’Escala in Noord-Spanje en zijn daar al even goed ingeburgerd als in Wetteren. Beide zijn rond de 60, hebben een mooie carrière achter de rug en een flinke cent op de rekening. Dus normaal gesproken klaar voor het derde hoofdstuk van hun leven, dat van de meeste medioren: genieten van het leven en het welverdiende pensioen. Alle zorgen op zij en laat de zon nu maar komen.
Maar Paul en Albertine hadden iets anders in gedachten. Enkele jaren geleden toerden ze wat rond in de Noord-Spaanse Pyreneeën toen ze plots een vervallen mas te koop zagen staan. Het huis had meer weg van een ruïne dan van een Spaanse hoeve. Het was gelegen in Albanyà. Niet helemaal het einde van de wereld, maar daar dan toch in de buurt. Een onooglijk klein dorpje aan het eind van een lang bergwegeltje op zo’n 60 km van Figueres. Een godvergeten gat. De mas stond te koop, maar geen Spanjaard die van plan was zich zoiets aan te schaffen. Iedereen uit de streek was het erover eens: je moest wel goed gek zijn om zo’n afgelegen, bouwvallige hoeve te kopen. Paul en Albertine, twee ondernemende Vlamingen, waren zo gek.
Zij kochten de mas en begonnen aan een drie jaar lange kalvarietocht om van die hoop stenen iets te maken dat waarde had. De Spanjaarden uit de buurt geloofden hun ogen niet. Lourdes was toch enkele honderden kilometers verderop en bovendien nooit echt bewezen. Maar dit was wel een echt mirakel. De ruïne werd een heerlijke bijna Disney-achtige vakantiehoeve met zeven appartementen, 44 bedden, een zwembad, een schitterende inrichting, mooie meubels, alles d’er op en d’er aan. Gelegen op een domein van 210 hectare. Ik herhaal 210 hectare. Daar kan uw gemiddelde Belgische tuin meer dan 2000 keer in.
Paul en Albertine trotseerden de tergende verzoeken van de lokale dienst voor toerisme in de zoete hoop aanspraak te kunnen maken op een renovatiesubsidie van 50.000 euro. Een fractie van de totale kost, maar altijd welkom. Vele verzoeken van de heren inspecteurs werden ingewilligd, de ene al dwazer dan de andere: de receptie moest links in plaats van rechts, een venster was zogenaamd net iets te klein, een balk die er al honderden jaren stak zag er volgens de heren inspecteurs niet stevig genoeg uit. De verzoeken werden plichtsbewust uitgevoerd. In de zoete hoop de subsidie te krijgen, maar toen de hele verbouwing rond was, bleek er geen geld te zitten in de lade van het lokale renovatiecomité. Alle moeite voor niets.
Naast die ellende vocht Paul een waar stierengevecht uit met de Barcelonese architecte. Zij was zogenaamd gespecialiseerd in het verbouwen van massen. Dag Jan. De dame liet niet hier en daar een steek maar een heel breiwerk vallen. Koppige Paul moest meermaals fouten van die ‘chique madam met haar universiteitsdiploma’ (zijn citaat) corrigeren.
Donderdagavond 5 januari waren we per toeval te gast bij Paul en Albertine in de gerenoveerde hoeve ‘Can Mas’. Driekoningen is een feestdag in Spanje en Paul en Albertine hadden een klein feestje georganiseerd. Vrienden hadden ons meegenomen om het wonder van Albanyà te gaan bekijken. De vroegere bewoners (landbouwers) waren d’er, de metselaars, de timmerman en zijn vrouw, de buren, wij en natuurlijk Paul en Albertine met dochter Annick. Bernadette Soubiroux zag in Lourdes een stralende Heilige Maagd, wij zagen in Albanyà twee stralende ondernemende Vlamingen die in dat ver Pyreneeëngat een fortuin hadden geïnvesteerd om een vakantiehoeve zo goed als letterlijk uit de grond te stampen.
Als Lourdes een toeristische topper mag zijn dan bid ik God dat het Can Mas van Paul en Albertine eenzelfde lot is beschoren. Dit kleine wonder verdient het. U kan uw giften storten door er op vakantie te gaan. Surf naar www.canmasAlbanya.com. Het is niet goedkoop maar je verblijft dan ook even in een stukje paradijs. En dat ik niemand meer hoor zeggen dat er geen ondernemende Vlamingen meer zijn.